Les energiestromen: van fotosynthese tot braakbal
Woensdagavond stond energiestromen op het programma, opnieuw in een les van Giel Jacobs: hoe energie via de zon een ecosysteem in stroomt en van schakel naar schakel wordt doorgegeven.
| Datum | Woensdag 14 oktober 2026 |
| Locatie | De Kleine Aarde, Boxtel |
| Blok | Blok 1: Ecologie en ecosystemen |
De lijn van de avond liep van één plantencel helemaal tot een heel bos: van fotosynthese in één blad, via voedselketens en voedselwebben, naar de piramides van aantallen en biomassa. Mijn uitgebreide aantekeningen staan bij Leermateriaal.
Waar ging het over?
Fotosynthese. Een plant maakt met koolstofdioxide, water en (zon)licht glucose, en geeft daarbij zuurstof af. In formule:
6 CO₂ + 6 H₂O + energie → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
De gassen gaan het blad in en uit via de huidmondjes, kleine openingen in de opperhuid die door sluitcellen open en dicht kunnen.
Dissimilatie en assimilatie. Glucose is maar een tussenstap. Bij dissimilatie wordt die glucose weer afgebroken om er energie uit te halen, precies de omgekeerde reactie van de fotosynthese. De rest van de glucose gaat naar assimilatie: bouwstof voor groei en herstel. Een mooi inzicht: een plant doet overdag fotosynthese én dissimilatie tegelijk, maar ‘s nachts, in het donker, alleen nog dissimilatie. Dan haalt hij juist zuurstof uit de lucht.
Tijdens de les werd hierover dit filmpje getoond, dat fotosynthese en dissimilatie in een plant mooi naast elkaar laat zien:
Autotroof en heterotroof. Planten maken hun eigen glucose: autotroof (auto = zelf). Dieren, schimmels en de meeste bacteriën moeten die glucose uit andere organismen halen: heterotroof (hetero = ander). Dat onderscheid is precies het begin van elke voedselketen.
Voedselketen, voedselweb en de kringloop. Van daaruit kwamen de begrippen die ik als gids het vaakst zal gebruiken:
- Een voedselketen loopt van producent (de plant) via consumenten van de 1e, 2e, 3e orde naar een toppredator. Elke stap is een trofisch niveau.
- In de werkelijkheid is het geen rechte lijn maar een voedselweb: alles eet van en wordt gegeten door meerdere soorten.
- De reducenten (schimmels, bacteriën, pissebedden, regenwormen) breken dood materiaal af tot mineralen, waarmee de kringloop weer bij de plant begint. Zonder reducenten geen voedselkringloop.
Piramides en energieverlies. Omdat bij elke schakel veel energie verloren gaat aan dissimilatie en aan onverteerbare resten, blijft er voor de volgende schakel maar een klein deel over. Daardoor krijg je een piramide van biomassa: veel bladeren, minder rupsen, nog minder koolmezen, en bovenin maar een enkele sperwer. Begrippen die daarbij vielen: BPP en NPP (bruto en netto primaire productie) en biomassa, uitgedrukt in gram per vierkante meter.
Natuurmoment: twee braakballen
Dit keer was het natuurmoment van mij. Ik heb het gedaan met braakballen (uilenballen): de onverteerbare resten van haren, botjes en insectendelen die een uil weer uitspuugt. Geen poep dus, maar wat er aan de bovenkant weer uitkomt.
Ik had bewust twee soorten meegenomen, zodat de groep ze kon vergelijken:
- De kerkuil-bal: grijs, stevig en bijna vilt-achtig, met veel haren en hele botjes en schedeltjes erin. De kerkuil leeft vooral van kleine zoogdieren zoals veldmuizen.
- De steenuil-bal: kleiner, donkerder en kruimeliger, met glimmende keverresten en soms wat zand of grond. De steenuil eet naast muizen veel insecten en regenwormen, en dat zie je meteen terug.
Het leuke is dat je aan zo’n bal kunt teruglezen wat de uil heeft gegeten, en dus de hele voedselketen kunt reconstrueren: gras en zaden → veldmuis → uil, met de schimmels en pissebedden als reducenten die de rest opruimen. Daarmee sloot het natuurmoment precies aan bij het thema van de avond: de braakbal als het einde van een energiestroom die je zelf uit elkaar kunt pluizen.
Om het behapbaar te maken had ik er een klein werkblad bij gemaakt, Wie at wat?, waarmee de groep de twee ballen stap voor stap vergelijkt en het voedselsysteem invult. Hieronder de voorbeelduitwerking:

Vijf-minutenpraatje: verwondering over dierlijke vermogens
Dit praatje was van een heel andere orde: geen rij feitjes, maar een uitnodiging tot verwondering. De verteller nam ons mee in de belevingswereld van dieren en keek daarvandaan terug naar de mens. Wat bleef hangen:
- Ikigai als vertrekpunt: terloops leven in overeenstemming met wie je bent, bijna zen.
- Het ene moment leek het sneu voor zo’n spin onder een steen, het volgende moment zat er juist iets bijzonders in: vermogens die wij als mens helemaal niet hebben.
- Mieren met ieder hun eigen taken, en de onwerkelijke zombiemieren die door een schimmel worden aangestuurd. Het soort “je kunt het niet verzinnen en toch bestaat het”-fenomeen.
Al die voorbeelden liepen uit op één idee: hoe je een gedachte zó in iemands hoofd kunt planten dat er letterlijk iets verandert, alsof er nieuwe zenuwbanen worden aangelegd. De verteller verwees daarbij naar iets in de richting van hersenimplantaat-technologie (ik moet nog nazoeken welke precies; het deed me aan brain-computer interfaces denken). Maar de clou zat vooral in de omkering: het praatje zélf was eigenlijk zo’n ingeplant idee, een klein stukje verwondering dat blijft hangen. Voor vijf minuten verrassend beschouwend.
Terugblik
Een les met veel biologie, maar met een duidelijke rode draad: energie van de zon die via fotosynthese wordt vastgelegd en bij elke schakel weer een stukje verloren gaat. Dat de braakballen daar zo mooi in pasten, maakte het natuurmoment voor mij extra geslaagd.