| Datum | Woensdag 14 oktober 2026 |
| Docent | Giel Jacobs |
| Blok | Blok 1: Ecologie en ecosystemen (les 7) |
| Onderwerp | Energiestromen, voedselketens en voedselwebben |
| Boek | Deel 4, hoofdstuk 2 Voedselrelaties |
| Vorige les | 7 oktober: basiskwaliteit natuur en biodiversiteit |
De rode draad van de avond: hoe zonne-energie een ecosysteem in stroomt, wordt vastgelegd in glucose, en vervolgens van schakel naar schakel wordt doorgegeven, waarbij bij elke stap een groot deel verloren gaat.
Fotosynthese
Groene planten leggen tijdens de fotosynthese zonne-energie vast door er organische stof (glucose) mee te bouwen. Een plant gebruikt daarvoor:
- Koolstofdioxide (CO₂)
- Water (H₂O)
- (Zon)licht
Daarbij ontstaan glucose (een suiker) en zuurstof (O₂). In formule:
6 CO₂ + 6 H₂O + energie → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
Huidmondjes
- In de opperhuid van de bladeren zitten huidmondjes.
- Sluitcellen kunnen die mondjes open en dicht laten gaan.
- Via de huidmondjes gaan gassen als CO₂ en O₂ het blad in en uit, en kan water verdampen (verdamping).
Dissimilatie en assimilatie
Glucose is maar een tussenstap. Alle organismen gebruiken glucose op twee manieren:
| Proces | Wat gebeurt er | Doel |
|---|---|---|
| Dissimilatie | glucose wordt afgebroken, energie komt vrij | energie |
| Assimilatie | glucose (en bouwstoffen) worden opgebouwd | groei en herstel |
Dissimilatie is precies de omgekeerde reactie van de fotosynthese:
C₆H₁₂O₆ + 6 O₂ → 6 CO₂ + 6 H₂O
Aerobe en anaerobe dissimilatie
| Anaeroob | Aeroob | |
|---|---|---|
| Zuurstof | zonder zuurstof | met zuurstof |
| Verbranding | onvolledig: melkzuur of alcohol + CO₂ | volledig: CO₂ en H₂O |
| Opbrengst | 2 ATP | 38 ATP |
Dag en nacht
Een plant doet overdag fotosynthese én dissimilatie tegelijk. In het donker stopt de fotosynthese en blijft alleen de dissimilatie over: dan haalt de plant juist zuurstof uit de lucht via de huidmondjes, en verlaat de gevormde CO₂ de plant weer.
- Compensatiepunt: de lichtsterkte waarbij de fotosynthese precies evenveel O₂ maakt als de dissimilatie verbruikt. Netto gaat er dan geen gas in of uit.
- Boven het compensatiepunt stijgt de fotosynthese met het licht, tot er een andere beperkende factor gaat tellen, bijvoorbeeld de hoeveelheid CO₂. Dan vlakt de grafiek af.
Autotroof en heterotroof
| Type | Wie | Hoe aan glucose |
|---|---|---|
| Autotroof (zelfvoedend) | planten en sommige bacteriën | maken zelf glucose (fotosynthese of chemosynthese) |
| Heterotroof (andervoedend) | dieren (ook de mens), schimmels, de meeste bacteriën | halen glucose uit andere organismen |
Dat onderscheid is het begin van elke voedselketen.
Rollen in het ecosysteem
| Rol | Doet | Stofomzetting |
|---|---|---|
| Producenten | planten, cyanobacteriën | anorganisch → organisch (autotroof) |
| Consumenten | dieren | organisch → organisch (heterotroof) |
| Reducenten | schimmels, bacteriën, bodemdiertjes | organisch → anorganisch (heterotroof) |
Voedselketens, voedselwebben en de kringloop
- Een voedselketen is een reeks waarin energie (uit voedsel) van de ene soort naar de volgende gaat. Hij begint altijd met een producent (plant) en eindigt met een (roof)dier.
- Minimaal: producent + consument van de eerste orde. Er bestaan voedselketens van wel zeven schakels.
- Elke stap is een trofisch niveau.
| Schakel | Rol | Voorbeeld (bos) |
|---|---|---|
| 1e trofisch niveau | producent | vlierbes |
| 2e trofisch niveau | consument 1e orde (herbivoor) | sprinkhaan |
| 3e trofisch niveau | consument 2e orde (carnivoor/omnivoor) | kikker |
| 4e trofisch niveau | consument 3e orde | adder |
| 5e trofisch niveau | consument 4e orde | buizerd |
- In de natuur bestaan geen losse voedselketens: ze lopen allemaal door elkaar en vormen samen een voedselweb (voedselnet). Raakt één schakel ontregeld, dan raakt het hele ecosysteem ontregeld.
- Dode planten, dode dieren en uitwerpselen worden door reducenten afgebroken tot anorganische stoffen die een plant weer kan opnemen. Zo is de cirkel rond: de voedselkringloop.
Energiestromen en de 10%-regel
De hoeveelheid energie die wordt doorgegeven, neemt bij elk trofisch niveau af. Een deel wordt in hetzelfde niveau al verbruikt (bewegen, op temperatuur blijven). Ruwe vuistregel: per niveau gaat ongeveer 10% door naar het volgende.
Voor iedere gram die een dier groeit, moet het ongeveer 5 tot 10 gram eten. Om 100 g te groeien eet een jonge buizerd ± 1 kg kleine vogeltjes; die eten samen ± 10 kg insecten; die insecten eten ± 100 kg planten.
Dat verklaart waarom toppredatoren (arend, tijger, grote witte haai) groot en zeldzaam zijn: ze leven van een piepklein deel van alle beschikbare energie en zitten daardoor steeds dicht bij de grens van uitsterven.
BPP, NPP en biomassa
- Biomassa = de totale massa energierijke stof in een trofisch niveau. Eenheid: g/m² of g/m²/jaar. Je onderscheidt versgewicht en drooggewicht.
- BPP (bruto primaire productie): alle glucose die bij de fotosynthese is gevormd.
- Die wordt gebruikt voor dissimilatie (energie) en voor voortgezette assimilatie (groei). Die groei levert de biomassa.
- NPP (netto primaire productie) = BPP − dissimilatie.
Van de biomassa die een schakel opneemt, gaat grofweg: ± 50% naar onverteerbare resten (uitgepoept), ± 40% naar dissimilatie (energie), en maar ± 10% naar groei (assimilatie). Alleen dat laatste deel is beschikbaar voor de volgende schakel.
Voedselpiramides
Je kunt een piramide maken op basis van aantallen, biomassa of energie.
| Type | Wat staat op elke balk | Let op |
|---|---|---|
| Piramide van aantallen | aantal individuen per niveau | niet altijd een piramidevorm: één eik voedt heel veel rupsen |
| Piramide van biomassa | gewicht per niveau | wisselt met de seizoenen (winter kleiner, herfst veel reducenten) |
| Piramide van energie | doorgegeven energie per niveau | altijd een echte piramide (10%-regel) |
Het gewicht van de volgende schakel was steeds opgebouwd uit de bouwstoffen van de vorige schakel.
Verstoringen: gif in de keten
- Bio-accumulatie: schadelijke stoffen (DDT, PCB’s, dioxinen) lossen slecht op in water maar goed in lichaamsvet, en hopen zich op in een organisme.
- Bio-magnificatie: in een voedselketen stapelt het verder op. Hoe meer schakels, hoe hoger de concentratie. Het roofdier bovenaan krijgt de hoogste gehaltes.
- Klassiek voorbeeld: DDT maakte eierschalen van roofvogels dunner. Rachel Carson bracht dit in 1962 wereldwijd onder de aandacht met Silent Spring.
- Havik in Nederland: in de jaren zestig gedaald tot 75–100 broedparen door behandeld zaaizaad; na het verbod (1973) hersteld tot ± 1800 broedparen in 2000.
- Actueel: neonicotinoïden verstoren de prikkelgeleiding bij insecten en komen via pollen en nectar ook bij bijen en hommels terecht.
Kernbegrippen
| Begrip | In één zin |
|---|---|
| Fotosynthese | planten maken glucose uit CO₂ + water + licht, en geven O₂ af |
| Huidmondjes | openingen in het blad waardoor gassen in/uit gaan |
| Dissimilatie | glucose afbreken om energie vrij te maken |
| Assimilatie | glucose/bouwstoffen opbouwen voor groei en herstel |
| Compensatiepunt | lichtsterkte waarbij fotosynthese = dissimilatie |
| Autotroof / heterotroof | zelf glucose maken / glucose uit andere organismen halen |
| Producent / consument / reducent | maker / eter / afbreker in het ecosysteem |
| Voedselketen / voedselweb | reeks van eten-en-gegeten-worden / alle ketens door elkaar |
| Trofisch niveau | elke schakel in een voedselketen |
| Voedselkringloop | reducenten sluiten de cirkel: organisch → anorganisch → plant |
| 10%-regel | per trofisch niveau gaat ± 10% van de energie door |
| BPP / NPP | alle gevormde glucose / BPP min dissimilatie |
| Biomassa | totale massa energierijke stof per niveau (g/m²) |
| Bio-accumulatie / bio-magnificatie | ophoping in één organisme / verdere ophoping door de keten |
Gidstips: laten zien in het veld
- Braakbal uitpluizen: laat deelnemers de haren, botjes en keverresten vergelijken en zo de voedselketen reconstrueren (gras/zaden → veldmuis → uil). Zie het natuurmoment in het verslag.
- Voedselweb maken: laat de groep met een touwtje tussen soorten een web spannen; knip één schakel door en voel hoe alles meebeweegt.
- 10%-regel voelbaar maken: reken samen uit hoeveel planten er onder één buizerd “zitten”. Dat verklaart meteen waarom toppredatoren zeldzaam zijn.
- Toppredator als graadmeter: een havik of buizerd die het goed doet, zegt iets over de hele keten eronder, inclusief eventuele gifophoping.
Verslag van de avond
Het natuurmoment (twee braakballen) en het vijf-minutenpraatje staan in het verslag van deze avond.