Gemaakt na de les van 7 oktober 2026. Zie ook het verslag van de avond en de lesaantekeningen.

Waarom deze pagina

Basiskwaliteit Natuur (BKN) geeft je werkgroepje een vaste meetlat voor de opdracht Onderzoeksgebied (adoptieterrein) van de Natuurgidsenopleiding. Je bezoekt je gebied 10 tot 30 keer, verspreid over vier seizoenen. Met BKN worden die bezoeken een herhaalbare meting in plaats van losse indrukken.

Dit is algemeen opgezet. Elk werkgroepje kan het gebruiken, voor een park, een tuin, een berm, een beekdal of een natuurgebied.

Wat BKN toevoegt aan de opdracht:

  • Een soortenlijst die landelijk is vastgesteld, zodat je weet waar je op moet letten.
  • Een manier om te zien welke soorten je verwacht maar mist, en wat dat zegt over het gebied.
  • Een taal die gemeente, waterschap en provincie ook spreken. Zo kan je verslag later ook buiten de opleiding van waarde zijn.

Wat is Basiskwaliteit Natuur?

BKN is het minimale niveau van natuurkwaliteit dat nodig is om algemene soorten algemeen te houden. Denk aan huismus, egel, gewone pad, bruin zandoogje of de kleine watersalamander. Veel van deze soorten gaan hard achteruit, ook buiten natuurgebieden.

Het concept is in 2018 gelanceerd en daarna uitgewerkt door onder andere Naturalis, SoortenNL, Sovon, Vogelbescherming en het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Rijk en provincies hebben het opgenomen in het Programma Natuur: spoor 2 (2021 tot 2050) gaat over basiskwaliteit natuur in de hele samenleving.

Twee kanten van dezelfde munt

BKN kijkt altijd langs twee sporen:

Spoor Waar het over gaat Wat je meet
Basiskwaliteit voor natuur De condities: abiotiek (bodem, water, lucht), inrichting (structuur, variatie) en beheer en gebruik (maaien, oeverbeheer, betreding) Welke biotopen er zijn en welke drukfactoren spelen
Basiskwaliteit van natuur De soorten zelf, als graadmeter voor de condities Welke meetsoorten aanwezig zijn, en hoeveel

De meetsoorten

SoortenNL heeft een lijst van 707 soorten uit 17 soortgroepen opgesteld, van vogels en dagvlinders tot korstmossen, zoetwaterslakken en vleermuizen. De soorten zijn gekozen omdat vrijwilligers ze goed kunnen herkennen. De lijst kent drie categorieën:

  • Basis-soorten horen bij een goede basiskwaliteit. Er is een lijst voor boerenland (per regio) en een lijst voor bebouwde kom inclusief stedelijk groen.
  • Plus-soorten wijzen op bijzondere kwaliteit en zijn tegenwoordig zelden buiten natuurgebieden te vinden.
  • Generalisten zijn zo algemeen dat ze bijna altijd voorkomen. Zie je ze niet, dan is er waarschijnlijk niet goed gekeken.

Van elke basis-soort staat ook aangegeven in welke biotoop hij leeft en voor welke drukfactoren hij gevoelig is. Daar zit de kracht: een soort die je verwacht maar mist, vertelt je iets over wat er in het gebied ontbreekt.

Past BKN bij jullie gebied?

BKN is gemaakt voor plekken waar natuur niet de hoofdfunctie is. Hoe minder “officieel natuur” je gebied is, hoe beter het kader past.

Type adoptiegebied Past BKN? Welke soortenlijst
Grote tuin, park, plantsoen, begraafplaats Goed Bebouwde kom
Water, oever of groenstrook in of bij een woonwijk Goed Bebouwde kom
Berm, houtwal, akkerrand, erf, weiland Goed Boerenland, regio van je gebied (laagveen en zeeklei, hoge zandgronden of heuvelland)
Bos met meerdere functies (recreatie, hout) Deels Nog niet uitgewerkt door SoortenNL; gebruik boerenland of bebouwde kom als referentie
Natuurgebied (Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000) Beperkt Geen eigen lijst; daar horen veel meer soorten te leven dan alleen de basis-soorten

Twijfel je over de status van je gebied? Zoek het op in de kaart van het Natuurnetwerk Nederland van je provincie, of vraag het aan de terreineigenaar.

Ook in een natuurgebied kun je de methode gebruiken. Je vergelijkt dan met de BKN-lijst als ondergrens. Ontbreken daar zelfs de basis-soorten, dan is dat een belangrijk signaal. Let op: de online SoortenKijker werkt niet in natuurgebieden.

Stappenplan: nulmeting en gebiedsanalyse

De nulmeting is je eerste volledige beeld van het gebied. Alle latere bezoeken vergelijk je hiermee. Werk de stappen op volgorde af.

  1. Gebied afbakenen. Teken de grens op een kaart en noteer de oppervlakte. Bepaal het landschapstype (bebouwde kom of boerenland, en welke regio). Zoek op in welk kilometerhok of welke kilometerhokken je gebied ligt: dat is de schaal waarop BKN-gegevens landelijk worden vergeleken.
  2. Bureaustudie. Verzamel wat er al bekend is:
    • Bestaande waarnemingen in waarneming.nl en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
    • De SoortenKijker van Groene Bondgenoten: die laat zien welke algemene soorten binnen 1,5 km zijn gezien, welke ontbreken, en geeft een label van A (goed) tot E (slecht).
    • Geologie, bodem, waterhuishouding en historie (oude kaarten, bijvoorbeeld via topotijdreis.nl).
    • Eigenaar, beheerder en het huidige beheer (maaien, snoeien, baggeren).
  3. Waarnemingsinspanning controleren. Kijk of de generalisten van elke soortgroep in de data voorkomen. Volgens SoortenNL geldt een kilometerhok als goed onderzocht als er minstens twee generalisten zijn gezien. Zo niet, dan zegt het ontbreken van andere soorten nog niets.
  4. Verwachte soortenlijst maken. Selecteer uit bijlage 1 van het SoortenNL-rapport de basis-soorten die passen bij jullie landschapstype en de biotopen in het gebied. Dit is jullie referentie: wat zou hier moeten leven?
  5. Condities in kaart brengen. Loop het gebied door en noteer per deelgebied welke biotopen er zijn: open water, moeras, pionier of akker, grasland of berm, bloemrijk, houtwal of bos, (oude) bomen, gebouwen. Schat per deelgebied de vijf BKN-drukfactoren in: vermesting, verdroging, versnippering, intensief beheer, verstedelijking. Een simpele score van 0 (geen) tot 3 (sterk) is genoeg.
  6. Vaste meetpunten kiezen. Kies per soortgroep een vaste methode die je elk seizoen exact kunt herhalen: een vast transect voor vlinders en libellen, vaste telpunten voor vogels, vaste bomen voor korstmossen, vaste proefvlakken voor planten. Noteer de coördinaten en maak een foto vanaf elk punt.
  7. Veldwerk door de seizoenen. Bezoek de meetpunten op vergelijkbare tijden en weersomstandigheden. Wissel daarnaast af met bezoeken bij zonsopkomst, overdag, ‘s avonds en ‘s nachts, zoals de opdracht vraagt. Akoestische hulpmiddelen helpen bij vogels (BirdNET, een geluidsrecorder) en vleermuizen (batdetector). Voer alle waarnemingen in op waarneming.nl, zodat ze ook in de landelijke data terechtkomen.
  8. Vergelijken: verwacht tegenover aangetroffen. Zet per soortgroep naast elkaar: welke basis-soorten verwacht, welke gevonden, welke plus-soorten extra. Dit is de BKN-beoordeling van jullie gebied.
  9. Duiden. Kijk bij de ontbrekende soorten naar hun biotoop en drukfactoren. Missen jullie veel soorten van bloemrijke graslanden? Dan wijst dat op te intensief maaibeheer of vermesting. Zo wordt een soortenlijst een verklaring.
  10. Vastleggen en herhalen. Bewaar de nulmeting met datum, methode en meetpunten. Herhaal dezelfde meting aan het eind van de opleiding. Het verschil is je resultaat, en een volgende groep kan erop voortbouwen.

Werken als werkgroepje

Verdeel de soortgroepen, niet de bezoeken. Iedereen bouwt zo een eigen specialisme op, en het gebied wordt breder bekeken dan één persoon kan.

Kies 4 tot 6 soortgroepen die passen bij de biotopen in jullie gebied. Een voorbeeld van een verdeling voor vier cursisten:

Rol Soortgroepen Wanneer vooral
Vogels en zoogdieren Broedvogels, wintervogels, vleermuizen, sporen van zoogdieren Maart tot juli; winter; zomeravonden
Insecten Dagvlinders, bijen, libellen, sprinkhanen April tot september, zonnige dagen
Planten en korstmossen Vaatplanten, epifytische korstmossen op bomen Mei tot augustus; korstmossen het hele jaar
Water en abiotiek Amfibieën, zoetwaterslakken, waterkwaliteit, bodem, grondwater Maart tot juni; het hele jaar voor metingen

Pas de verdeling aan op wat jullie gebied heeft. Zonder water vervalt de rol Water, en kun je bijvoorbeeld paddenstoelen of landslakken toevoegen.

Afspraken die helpen:

  • Eén gedeeld natuurdagboek of gedeelde map, met per bezoek: datum, tijd, weer, wie, wat gezien.
  • Iedereen voert eigen waarnemingen in op waarneming.nl, onder een gezamenlijke projectnaam of gebiedsnaam.
  • Elke maand een kort overleg: wat valt op, welke soort missen we nog?
  • Eén persoon houdt de verwachte soortenlijst bij en vinkt af wat gevonden is.
  • Plan minstens één gezamenlijk bezoek per seizoen, zodat je van elkaars soortgroep leert.

Koppeling aan het verslag en de mini-excursie

Elk onderdeel dat de opleiding voor het verslag vraagt, krijgt met BKN een concrete invulling. Controleer wel altijd bij jullie eigen opleidingsteam wat er precies verwacht wordt.

Onderdeel verslag (opleiding) Invulling met BKN
Algemene beschrijving: landschapstype, begrenzing, ligging, eigenaar, functies Stap 1 en 2: afbakening, landschapstype, kilometerhok, eigenaar en beheer
Meest markante kenmerken De biotopenkaart uit stap 5, plus opvallende plus-soorten
Invloed van de seizoenen Vaste meetpunten per seizoen (stap 6 en 7): wat verandert er op dezelfde plek?
Relaties tussen organismen en abiotische factoren Stap 9: ontbrekende soorten gekoppeld aan biotoop en drukfactoren
Lijst van waargenomen soorten flora en fauna Stap 8: verwacht tegenover aangetroffen, per soortgroep
Bijdrage aan je vorming als natuurgids Wat leerde je van je eigen soortgroep, en hoe vertel je het verhaal van “algemene soorten die verdwijnen”?

Mini-excursie. BKN geeft je een sterk verhaal voor de groep. Laat deelnemers zelf zoeken naar een paar meetsoorten en laat ze raden welke verwachte soort ontbreekt en waarom. Zo maak je het verschil tussen “mooi groen” en “goede natuurkwaliteit” voelbaar.

Valkuilen en tips

  • Niet gezien is niet hetzelfde als afwezig. Eén jaar met tien tot dertig bezoeken is kort. Noem ontbrekende soorten “niet aangetroffen”, niet “afwezig”.
  • Methode boven volledigheid. Een kleine set soortgroepen, elk seizoen op dezelfde manier geteld, is meer waard dan een lange lijst losse waarnemingen.
  • Schaal bewust kiezen. Landelijke BKN-vergelijkingen werken op kilometerhok. Een adoptiegebied is vaak kleiner. Gebruik de landelijke data als context en je eigen meetpunten voor het detail.
  • Houd het haalbaar. Begin niet met alle 17 soortgroepen. Liever vier goed dan twaalf half.
  • Deel je data. Waarnemingen die alleen in een verslag staan, gaan verloren. Op waarneming.nl helpen ze de SoortenKijker en de volgende cursisten.
  • Leg contact met de eigenaar. Een gemeente of waterschap is vaak blij met een onderbouwde gebiedsanalyse. Dat kan leiden tot aangepast beheer.
  • Geld voor een vervolg. Groene Bondgenoten heeft een stimuleringsfonds van maximaal 1.000 euro per initiatief, voor samenwerkingen tussen groene vrijwilligersgroepen die de leefomgeving verbeteren. De aanvraagperiode verschilt per jaar; check de actuele data op de website.

Bronnen en hulpmiddelen

Gebruikte bronnen

  • Wallis de Vries, M.F. e.a. (2022). Meetsoorten voor Basiskwaliteit Natuur. Rapport SoortenNL, Nijmegen. De soortenlijsten staan in bijlage 1 (basis-soorten), bijlage 2 (plus-soorten) en bijlage 3 (generalisten).
  • Groene Bondgenoten / IVN (2025). Presentatie Basiskwaliteit Natuur en SoortenKijker. Kennis- en netwerkbijeenkomst, 30 september 2025.
  • Rijk en provincies (2020). Hoofdlijnen Programma Natuur. Spoor 2 gaat over basiskwaliteit natuur.
  • Natuurgidsenopleiding, opdracht Onderzoeksgebied (adoptieterrein), hoofdstuk Opdrachten, p. 219 en 220.

Om verder te lezen en te gebruiken

  • Toolbox Basiskwaliteit Natuur, met o.a. de gids voor vrijwilligers en gemeenten
  • Kennisdocument Basiskwaliteit Natuur: uitgebreide achtergrond, beoordelen en monitoren.
  • Groslijst Basiskwaliteit Natuur (Naturalis, 2022): algemene soorten per landschap en regio.
  • Basiskwaliteit voor soorten in het landschap: pilots (SoortenNL, Sovon, Vogelbescherming).
  • Kennisbank SoortenNL: meetsoorten.
  • Groene Bondgenoten Leerportaal: e-learning Basiskwaliteit Natuur en e-learning SoortenKijker.
  • Groene Bondgenoten Stimuleringsfonds.
  • waarneming.nl: voor het invoeren en opzoeken van waarnemingen.