Eerste excursie: de Aanschotse Beemden

EcologiePlantenInsectenGidsvaardigheden

Vanochtend was mijn eerste excursie van de opleiding, in de Aanschotse Beemden. Het was een hele mooie ochtend. De groep was groot, dus we werden opgesplitst in twee groepen.

   
Datum Zaterdag 3 oktober 2026
Locatie Aanschotse Beemden
Blok Blok 1: Ecologie en ecosystemen

Vroeger en nu

We begonnen met een overzicht van hoe het gebied er vroeger uitzag en hoe het er nu uitziet. Dat verschil laat je mooi zien met Topotijdreis. De opmerking die me bijbleef was die over de visgraat: de beemden liggen allemaal anders ten opzichte van de Groote Beek, en samen lijkt dat op het skelet van een vis.

Symbiose toepassen

We kregen de opdracht om de les van woensdag toe te passen. Ik ging vooral kijken en luisteren of ik de begrippen van symbiose kon herkennen.

Het eerste voorbeeld was een boom vol hedera. Dat bleek commensalisme: de klimop profiteert en de boom heeft er geen last van.

Het tweede voorbeeld vond ik het mooist: gal. We zagen een rozenmosgalwesp en een rozenbotel. Een gal is een woekering op een plant die ontstaat doordat een andere soort, meestal een insect, de plant prikkelt om extra weefsel te vormen. Dat weefsel dient als huisje en voedsel voor de larve. Ook dit werd commensalisme genoemd, wat ik zelf een gek geval vind, want de plant moet aanzienlijk veel energie steken in het maken van de gal. Ik vraag me toch af waar de grens met parasitisme hier zit.

Wat we zagen, roken en proefden

Onderweg stonden we steeds even stil bij een plant of paddenstoel, en vaak mochten we er ook aan ruiken of van proeven. Bij de hop staken we onze neus erin. Het was een heel complexe geur: knoflook, maar er zat ook iets frissers tussen. Bij de watermunt mochten we een blaadje eten. De moerasspirea rook juist heel lekker, en we bekeken ook de egelboterbloem.

Een mooie vondst was de wilde kardinaalsmuts. De Nederlandse naam verwijst naar de vrucht, die lijkt op het hoofddeksel van een kardinaal. In de herfst wordt de doosvrucht felrood en springt hij open, en dan hangt er een wit zaad met een feloranje zaadhuid aan een draadje. Bij een aantal struiken was dit al goed te zien.

Bij de lisdodde stonden we ook even stil. De plant groeit goed in nat gebied dankzij luchtkanalen (aerenchym) in stengels, bladscheden en wortelstokken. Daardoor komt zuurstof vanuit de bladeren bij de wortels onder water, ook in een zuurstofarme moerasbodem. Een deel van die zuurstof lekt naar de bodem rond de wortels. Lisdodde is een helofyt (moerasplant), en zulke planten worden gebruikt in een helofytenfilter: een waterzuivering waarbij water langzaam door een met moerasplanten begroeid bed stroomt, terwijl bacteriën rond de wortels vervuiling afbreken en de planten voedingsstoffen opnemen (Wikipedia). De holle stengels zijn ook een overwinteringsplek voor insecten.

Verderop stonden we stil bij een geschubde inktzwam. Hij verspreidt zijn sporen op een bijzondere manier: de hoed vervloeit van onderaf tot zwarte “inkt” (autolyse, eigenvertering) en druipt met de rijpe sporen naar beneden. Wind speelt nauwelijks een rol; regenwater helpt de sporen verder. Dit is anders dan bij de meeste paddenstoelen.

Ook kwamen we langs een rij marilandica’s, een kruising van zwarte populier en Canadese populier. Op Wikipedia leerde ik daarna dat de marilandica veel werd aangeplant in Noord-Brabant, vooral ten zuiden van ‘s-Hertogenbosch, en daar bekendstaat als de Brabantse staander. Wikipedia.

Als laatste zagen we de poeltjes voor de alpenwatersalamander, die zijn aangelegd als habitat. De uitgegraven grond van de poeltjes werd in hoopjes over de omgeving verdeeld om zo een habitat voor zandbijen te creëren.

Afgesloten gebied: waternavel en crassula

Er stond een interessant bordje bij een afgesloten gebied. Er was veel overlast van waternavel en crassula. Beide zijn exoten, soorten die hier van nature niet thuishoren, in tegenstelling tot inheemse soorten. Die vraag, wanneer iets een exoot is en wanneer inheems, kwam tijdens de excursie meerdere keren terug. Lopen mensen er doorheen, dan verspreiden ze de planten via hun voeten. Het gebied is dus dicht om de verspreiding tegen te gaan.

Het bijenvolk en de geelpoothoornaar

Het bijzonderste moment voor mij was bij een bijenvolk dat geplaagd wordt door een groep geelpoothoornaars. Ze zweven voor de kasten en wachten op een vliegende bij. Ze grijpen de bij, vliegen ermee weg, gaan hoog zitten en peuzelen hun prooi daar op. We zagen het ook live gebeuren!

Observaties over de gids

Omdat ik zelf natuurgids word, lette ik ook op de gids:

  • Hij was goed voorbereid en kwam met uitgeprint materiaal.
  • Een goede mix van manieren om de groep aan te spreken: aanwijzen, ontdekken en proeven.
  • Vaste punten in de route om iets te vertellen.
  • Geen tot weinig vogelkennis, althans niet gedeeld.
  • Uitnodigend om ook anderen iets te laten vertellen.

Terugblik

Een mooie eerste excursie, waarin de lesstof van woensdag meteen terugkwam. Ik neem mee dat de combinatie van aanwijzen, ontdekken en proeven goed werkt en dat een route met vaste punten rust geeft.